Recensie Saboteur Literatuurplein.nl

Saboteur van Marte Kaan

door Guus Bauer (Schrijver, ex-Exuitgever, vast medewerker van De Standaard en freelance literair journalist)

De in India wonende Nederlandse psychologe Marte Kaan (1977) debuteerde in 2009 met de doorwrochte essaybundel Lang leve de liefde, waarin ze de wetenschap, de literatuur en het leven van alledag inzette om te proberen de (zelf)destructieve kanten van de harstocht te verklaren. Hetgeen een origineel, dicht tegen de literatuur aanschurkend werk opleverde. Een prozadebuut kon dus bijna niet uitblijven: de verhalenbundel Saboteur.

Het overkoepelende thema sluit mooi aan bij Kaans debuut. Met de verschillende protagonisten is zo op het oog niets mis, maar onderhuids broeit er van alles. Ze saboteren zelf ongewild hun bestaan, hun wezen, zijn er zich soms van bewust, maar meestal niet. O, hoe kunnen jaloezie, wraak en spijt ons verteren, tot waanzin drijven en irrationeel laten handelen. Ja, echt kennis maken met de mens is een smerig karweitje, om het voorin in de bundel vermelde motto van Hanif Kureishi vrij te vertalen.

In het openingsverhaal ‘Een keurig meisje’ wordt een meisje aangesteld als publiciteitsmedewerker bij een uitgeverij. Haar eerste baantje. Wanneer ze bij het opstellen van een persbericht de plank volledig mis slaat, haalt haar bazin op venijnige wijze de schrijfambities aan die het meisje in een vlaag van naïef vertrouwen bij haar sollicitatiegesprek heeft geuit. Al snel regeert de angst bij de werkneemster. Ze probeert in het gevlij te komen bij haar bazin, vist naar complimentjes. Maar wanneer er een goed woord haar kant op komt, spaarzaam uiteraard, de bazin geniet duidelijk van haar macht, van haar superioriteit, walgt de werkneemster van haar eigen dankbaarheid. Het zorgt voor een arbeidsverhouding die steeds schever wordt, die tegen masochisme schuurt.

‘Haar commentaar, dat in het begin nog voornamelijk ging over de manier waarop ik me presenteerde – de telefoon opnam, mijn mails beantwoordde, mensen begroette – , ontving ik als een waardevol cadeau. Alsof ik wilde laten blijken hoe blij ik was dat ze de moeite nam me iets te leren, een beter mens van me te maken.’

Ze wordt een hond die dankbaar is voor elk toegeworpen brokje. Is de haat die groeit omdat ze van zichzelf walgt nog wel te beheersen? In haar fantasie heeft ze haar bazin al meermaals te pletter laten vallen. Er is een stenen terrasje onder het raam van de directiekamer. De elegante rode jurk van de uitgeefster zou mooi contrasteren met de groen uitgeslagen tegels. Haar armen en benen in vreemde hoeken, als een swastika.

Ondertussen probeert het pr-meisje haar zelfbeeld op te vijzelen door met een veel oudere, zogeheten gezaghebbende literatuurcriticus het bed te delen. Ze heeft hem een tekst van eigen hand gegeven en wacht op zijn mening. (Die hij uiteraard zo lang mogelijk uitstelt.)

En dan krijgt ze ineens het aanbod van de uitgeefster om de zolderkamer van haar irritant perfecte huis te huren. Ondanks de hartstochtelijke haat die ze voor haar bazin voelt, neemt ze het aanbod aan. Ze begint op haar te lijken, raakt verstrikt in de verhouding, in haar tegenstrijdige gevoelens.

Er hangt een soort mistige onrust rond alle verhalen in deze bundel. Zoals je kunt verwachten zitten ze psychologisch goed in elkaar, zonder dat de schrijver-psycholoog er duidelijk doorheen piept, zonder dat het een techniek wordt, een therapie. Dat is een prestatie op zich wanneer je bijvoorbeeld een verhaal vertelt over een zwaar gestoorde maar niet volledig kansloze patiënt die de ‘briljante therapeut’ zo weet te bewerken dat er toestemming komt van Boven, van de directie, om een halve dag naar buiten te gaan. Een eeuwigheid als je denkt nooit meer buiten te komen.

Zoals bij de meeste verhalen laat Kaan het einde gelukkig open. ‘Tot hier. Hier heeft niemand wat aan. Bovendien heb ik geen zin in pottenkijkers.’

Een enkel personage voelt de opluchting van de berusting, maar er huist over het algemeen een hoop miezerigheid in hun levens. Miezerigheid die dan wel weer met veel jus wordt geserveerd door Kaan.

Lees daarvoor bijvoorbeeld ‘Zwaan’. Een vrouw heeft zogezegd alles om gelukkig te kunnen zijn, een man, twee kinderen, maar ze voelt zich een lelijk eendje, wachtend op de dag dat ze wakker wordt als zwaan. En dan komt er een echtpaar op bezoek van het type ondraaglijk positief. De vrouw, altijd een zwaan geweest, is iemand die eigenlijk niets heeft gepresteerd, maar toch veel applaus oogst, die er zonder voorbehoud elke dag weer heel veel zin in heeft. Ze is zo hemeltergend dat je haar iets aan zou willen doen. Je wilt haar onderuithalen, saboteren.

Saboteur is een hechte bundel, bevat een hoop vertrouwd ongemak en mooie kleine observaties. Een vrouw wacht in ‘Nirwana’ op haar minnaar. Ze zit op bed, verwachtingsvol, in de jurk die ze droeg toen ze hem ontmoette. ‘Op het voeteneinde, de plek voor onbarmhartige gesprekken.’

Het mooiste bewaart Kaan misschien wel voor het laatst. Een echtpaar fungeert op een paradijselijke plek als huwelijksconsulent. Duizenden koppels hebben ze geholpen.

‘Niet door me hun liefde te pronken, maar door hun kwetsbaarheid en menselijk feilbaarheid te tonen en elkaar dat te vergeven, elk moment weer.‘

Maar ze kan zijn fijngevoeligheid niet meer verdragen. Ze besluit dat ze weg moet. Wanneer ze de banden van zijn auto op het grint hoort, wil ze naar buiten lopen, maar ze bedenkt zich. Op het moment dat hij de voordeur opent, trekt zij de achterdeur dicht. Zelfs verlaten doen ze zonder elkaar pijn te doen. Op het oog dan. In amper acht pagina’s weet Kaan met dit slotverhaal, in meerdere betekenissen heel toepasselijk ‘Exit’ geheten, de wervelstorm van het bestaan samen te vatten. De verhalen van Kaan zijn als stukken fruit. Glanzend vruchtvlees rond een harde kern.

http://www.literatuurplein.nl/recensie.jsp?recensieId=699

Moesson

Huizen ruiken zuur en huizen waar honden wonen helemaal. Gelukkig is er wierook en kunnen de ventilatoren hard – door het geraas is het of je in de motor van een vliegtuig zit.

Ik lig onder zo’n ventilator in zo’n zuur huis, en ondanks het geluid, of misschien wel dankzij, ben ik zo ontspannen als een pasgezoogde baby. Ik buig mezelf in een onmogelijke yogapose die toch mogelijk blijkt of voel de handen van de masseur op plekken drukken die pijn doen. De pijn verdwijnt als hij er lang genoeg mee bezig is, en dat betekent dat ik door moet bijten. Omdat ik hem vertrouw doe ik dat. Het is niet de eerste keer dat hij me redt van een op slot geschoten rug.

Relax – relax – relax – zeggen de Indiërs door het geloei van de ventilatoren. En ze steken nog wat wierook aan.

Ze beantwoorden mijn vragen met een hoofdwiebel. ‘Don’t worry. If you just do some deep breathing then it is no problem.’

Het is midden op de dag, buiten is het donker. De regen raast naar beneden en het verkeer ploegt door het kolkende water. Thuis gaan de gordijnen dicht en is er zoete chai waarin je je deep fried koekjes kunt dopen.

Ik lees mijn oudste voor uit de kinderbijbel. De Ark van Noach. Een nogal gruwelijk verhaal, helemaal omdat mijn dochter een bovenmatige en bij vlagen ongezonde belangstelling heeft voor overstromingen. Ik laat zinnen weg. Ook uit het verhaal over Adam en Eva. ‘Waarom schamen ze zich dan opeens, mamma?’

Het oordeel mis ik niet. Al verhuist het met je mee en klinkt het soms harder dan thuis. Maar het verdwijnt, langzaam, in het lawaai van de ventilatoren en airconditioners en airpurifiers, in de chaos van de regen en het leven.

Relax – relax – relax. Makkelijker gezegd dan gedaan. Maar iets lukt, al weet ik niet precies wat, maar ik vind de zure huizen steeds minder zuur ruiken.