Schuld

Vrijdagmiddag, onderweg naar een afspraak met een vriendin om een biertje te drinken. Ik stap de auto uit en daar is hij. Eerst zie ik de stomp, vlak voor mijn gezicht, daarna de persoon die eraan vastzit. Instinctief keer ik me af, alsof ik het beeld van mijn netvlies kan laten verdwijnen.

Maar het beeld komt op de stapel beelden van gehavende baby’s aan de kant van de weg, mensen zonder benen bij het stoplicht, een man die bij een drukke bushalte ligt te creperen. Mijn hartslag versnelt, ik krijg het warm. Dan herstel ik. Nog voor ik mijn vriendin begroet, ben ik het voorval nagenoeg vergeten.

Het is een van de twijfelachtige transformaties die het leven in India bij me teweeg brengen: kon ik vroeger nauwelijks met droge ogen een filmpje van Socutera uitkijken, tegenwoordig passeer ik vrijwel emotieloos de meest schrijnende taferelen. Bij mijn eerste bezoek aan India, vijftien jaar geleden, moest ik tegen mijn tranen vechten toen ik door de sloppen reed. Nu kan ik verdiept zijn in een e-mail terwijl aan mijn autoraam een straatkind staat te bedelen. Mijn instinctieve reactie wordt niet meer gekenmerkt door schok, integendeel, er gebeurt vrij weinig met me, zowel fysiek als mentaal. Dát vind ik vervolgens schokkend.

De meest voor de hand liggende verklaring is gewenning. Mensen kunnen – door een stressvolle situatie, enge spinnen of grote hoogten bijvoorbeeld – worden bevrijd van angsten. Dat is inmiddels wetenschappelijk bewezen. Het is voorstelbaar dat op den duur ook de schrikreactie uitdooft bij het zien van mensen die er (zeer) slecht aan toe zijn.

Een tweede mogelijke verklaring voor deze lauwe reactie op een lijdend medemens is zelfbescherming. De overweldigende gevoelens die horen bij het zien van andermans lijden, kunnen onaangenaam en belemmerend zijn. Het is menselijk vervelende gevoelens te vermijden, en wanneer je geen invloed hebt op de oorzaak van die gevoelens is het een goede tweede optie je ervoor af te sluiten. Dat ben ik na een paar maanden in India gaan doen: ik keek simpelweg niet naar buiten als we langs een groep bedelende kinderen reden. Als ze op het raampje klopten, deed ik alsof ik het niet hoorde. Dat hield ik maar kort vol. Nog erger dan iemand niet helpen is iemands bestaan ontkennen. Dus nu kijk ik mensen aan, en maak een grapje met de kinderen. Ik geef geen geld maar eten – als ik dat bij me heb.

Mijn ervaring lijkt logisch in het licht van de resultaten van een onderzoek aan de universiteit van Berkeley, waaruit blijkt dat rijkere mensen minder empathie en compassie met anderen hebben dan minder bedeelden. Dit resultaat is door andere onderzoekers in een aantal andere studies herhaald. Een mogelijke verklaring is volgens de onderzoekers dat rijkdom ons een zekere onafhankelijkheid verschaft. Rijke mensen hoeven zich simpelweg niet zoveel van anderen aan te trekken om te overleven. Dat maakt hen minder getraind in het leren lezen van andermans emoties, met als resultaat dat ze op den duur minder empathisch zijn. Empathie wordt dan minder een kwestie van reflex en instinct; het vergt bewuste aandacht.

Dit betekent niet dat ik me niet schuldig voel. Integendeel, ik voel me hier constant schuldig. En ik ben niet de enige: laatst kwam ik erachter dat een aantal van mijn vriendinnen hier, net als ik, hun nieuwe inkopen verstopt voor het personeel. ’s Avonds leggen we onze aanwinst – een jurkje, een nieuw paar schoenen – in de kast, het prijskaartje verbergen we onderin de vuilnisbak.

In zijn boek Schuldgevoel haalt Coen Simon de Duitse filosoof Martin Heidegger aan die zegt dat ons schuldgevoel ‘in de eerste plaats mogelijk (is) op grond van een oorspronkelijk schuldig-zijn’. Elk bezit wijst ons op het oneigenlijke ervan: het is ons van nature niet eigen. De oneindig scheve verdeling van rijkdom in India pookt bij ons dit immer sluimerende schuldgevoel op tot een fel vuur.

Deze gedachte drukt zowel het onvermijdelijke als het zinloze van dit schuldgevoel uit. Het is geworteld in het idee dat je verantwoordelijk bent voor het feit dat je leven er beter uitziet dan dat van anderen. Dat is niet zo. Net als arme mensen kan ik er net zo veel of weinig aan doen dat ik ben wie ik ben. Wij allen zijn in dit leven ‘geworpen’, zoals Heidegger onze relatie met de wereld omschrijft. Daarmee bedoelt hij, volgens Coen Simon, dat we de wereld altijd in een al eerder bestaande toestand aantreffen zonder dat we ooit een panoramisch overzicht op die wereld krijgen.

Een mens moet dus naar eigen inzicht handelen met zijn bezit. Als we hiermee al iets doen, doen we er tegelijkertijd niets mee: bij gebrek aan overzicht – op de wereld, bezit, goed en kwaad – weten we niet of we de juiste keuzes maken. Volgens Heidegger heb je daarom altijd te leven met dat wat je niet gekozen hebt.

Door te emigreren naar een land waar de meeste mensen het aanzienlijk slechter hebben dan jijzelf, verbreed je je perspectief, waardoor het zicht op het lijden van andere mensen concreter wordt. Je ziet elke dag waar je niet voor kiest: van het geld van die nieuwe jas kan het straatkind op de hoek zijn hele lagere en middelbare school financieren. De oplossing is dan: geen dure jassen meer kopen en dat geld aan het straatkind geven.

Tegelijk zie je dat het nooit genoeg is. En dat je, wanneer je het rechtvaardigheidsprincipe consequent wilt doorvoeren, zelf op straat zou moeten gaan leven. Het is de vraag hoeveel de wereld daarmee opschiet.

Deze redenering pleit me niet vrij van het nemen van verantwoordelijkheid: ik kan immers wel proberen het leven van anderen beter te maken. Maar het ont-schuldigt. De paradox hiervan is dat ik eerder geneigd ben iets te geven of te doen, omdat ik niet gebukt ga onder de loden last van schuldgevoel. De dingen die ik doe – geld doneren, kleren en spullen geven, een zo genereus en behulpzaam mogelijke werkgever/ vriend/ partner/ ouder zijn – leggen dan ieder geval wat gewicht in mijn eigen morele weegschaal.

Er zit nog een heel andere kant aan leven met armoede om je heen: de ervaring dat armoede er van dichtbij anders uitziet dan vanuit Nederland. In Nederland riepen fenomenen als ziekte, dood en armoede bij mij een gevoel van vernietiging op – een ramp, het einde van de wereld. Nu zie ik dat er bij dergelijke rampen ook gewoon geleefd wordt, dat dood en verval naadloos vervlochten zijn met leven en bloei.

Dat wil niet zeggen dat ik zou willen ruilen met de mensen hier. Maar ik zie dat mensen niet alleen ziek of arm of mismaakt zijn. Het zijn vooral ook mensen die gewoon zweten, klagen over het weer, filmpjes kijken op hun telefoon, vloeken, ruzie maken, elkaar te hulp schieten, hun kinderen beschermen en boos worden als hun geliefde met een ander flirt. Ze zijn zo mooi en lelijk en irritant en geestig en warm en bitter en wraakzuchtig en vrijgevig en kwetsbaar als ieder ander.

Dit besef helpt me, omdat het me gelijk aan hen maakt – of in ieder geval minder ongelijk. En dat ontmantelt een veel geniepiger vorm van schuldgevoel: de schuld, of schaamte, die je voelt wanneer je jezelf betrapt op de gedachte dat jouw leven meer waard is dan dat van een ander.

Advertenties

Expats

‘Well, you know Indians, no brains.’ Ze maakt nog wel een soort fluistergebaar met haar hand, maar desalniettemin rollen de woorden zorgwekkend soepel uit haar mond. Wanneer ze vervolgens haar chauffeur en manusje van alles, een knappe sikh met een roze tulband die op een Royal Enfield voor haar de stad doorkruist, de hemel in prijst – „absolutely wonderful and so reliable” – word ik daar niet minder ongemakkelijk van.

Als ik deze Australische vrouw ontmoet ben ik een maand in India en weet ik nog niet wat normaal is. Later vraag ik een vriendin of het vaak voorkomt dat expats zo over Indiërs spreken. Ze lacht. Nee. Maar ze zitten ertussen.

Volgens de Amerikaanse hoogleraar sociale psychologie aan de Princeton University Susan Fiske maken weinig mensen uit westerse samenlevingen tegenwoordig nog openlijk racistische opmerkingen. Maar het leeuwendeel houdt er kleine, subtiele vooroordelen op na die tot uitdrukking komen in ongemakkelijke sociale interacties, gênante versprekingen, ongefundeerde aannames en vooroordelen. Dit gedrag wordt aversief of ambivalent racisme genoemd: een houding die gekenmerkt wordt door zowel een geloof in de gelijkheid van mensen als negatieve emoties over een bepaalde groep waardoor omgang met leden van die groep wordt vermeden.

Een belangrijke katalysator van racistisch gedrag is angst, daar staan de geschiedenisboeken bol van. Ook in Afrika liggen onzekerheid en angst vaak ten grondslag aan de racistische of discriminatoire uitlatingen onder buitenlanders, zegt NRC-correspondent Koert Lindeijer, woonachtig in Kenia. „TIA is een gebruikelijke uitdrukking. ‘This is Africa’, oftewel: je wist toch dat het je nooit zou lukken.” Andersom worden blanken door Afrikanen soms als naïef en wereldvreemd bestempeld, niet in staat om out of the box te denken. „Kortom, het wederzijds respect ontbreekt vaak.”
Lui en dom

NRC-journalist Melle Garschagen woont in Indonesië. Geklaag over de Indonesiërs hoort hij niet vaak, over het systeem des te meer. „Bijvoorbeeld: ‘De machten van de trias politica zijn zo corrupt als de pest, de overheid is traag, de Indonesische politici zwak, de infrastructuur rammelt’.”

Een enkele keer hoort Garschagen dat Indonesiërs lui of dom zijn, maar nooit van een Nederlander. „Misschien is dat toeval, misschien beseffen Nederlanders dat bescheidenheid gepast is gezien de geschiedenis of begrijpen ze dat het bij elkaar houden van dit enorme land al hogere balanceerkunst is.”

Volgens professor Fiske zijn de oorzaken voor stereotyperingen en vooroordelen grofweg onder te verdelen in drie categorieën: de behoefte ergens bij te willen horen, de behoefte potentiële dreiging te kunnen controleren en het verlangen het gevoel van eigenwaarde in stand te houden.

Vooral die tweede behoefte lijkt een rol te spelen in een land als India waar de gevaren vaak aanzienlijk gezien groter zijn dan in het land van herkomst. Neem de kans om ziek te worden of om betrokken te raken bij een verkeersongeval. Verlies van controle kan woede en haatdragendheid in de hand werken, gevoelens die worden gericht op degenen die anders zijn: zieke of straatarme mensen, mensen die misvormd zijn of worden uitgebuit. Deze personen symboliseren de angsten van de nieuweling en door de onfortuinlijken als anders te zien wordt de illusie in stand gehouden van deze bedreigingen gevrijwaard te zijn.

Ik ondervond zelf een keer dat een groep Indiërs bedreigend op mij overkwam. We hadden iemand aangereden en stonden aan de kant van de weg, ik zat achterin met mijn dochter, de taxichauffeur onderhandelde over geld met het slachtoffer dat gewond was aan zijn voet. Er kwamen steeds meer mensen om de auto staan en de sfeer werd allengs grimmiger. Verhalen over massa’s die de dader van een verkeersongeval lynchen, schoten door mijn hoofd terwijl ik ondertussen mijn dochter gerust probeerde te stellen – „Wat doen al die mensen hier, mama?”

Wanneer zoiets in Nederland gebeurd zou zijn dan was het ook geen pretje geweest, maar dan had ik me geen zorgen gemaakt over onze eigen veiligheid en me vooral bekommerd om degene die was aangereden.

Jack Leenaars woont tien jaar in India en is een expat-veteraan. Niet alleen kent hij de Indiase cultuur van dichtbij, ook heeft hij de afgelopen tien jaar met talloze soorten expats kennis gemaakt. Leenaars maakt een onderscheid tussen de expat die in een ‘hoge comfortzone’ leeft en degene die zich meer tussen de Indiërs begeeft en zich mengt in het lokale leven.

Leenaars: „De ‘high comfortzone expat’ is in staat zijn eigen waarden in de directe omgeving redelijk te handhaven en baseert daar ook zijn (hoge) verwachtingen op. Die expat zal eerder teleurgesteld worden en gefrustreerd raken, wat zich uit in geklaag en denigrerende opmerkingen over Indiërs.”

Aanvankelijk keek Leenaars door een Nederlandse bril naar de Indiase samenleving. „Maar dat werkt niet. Het is te gemakkelijk om neer te kijken op alles wat anders gaat dan in Nederland. Bovendien ontnam het me het plezier van leven in India.”

Leenaars, die fietstours door New Delhi organiseert met zijn bedrijf DelhiByCycle, besloot zich open te stellen en ontdekte dat anders niet per definitie minder is. Inmiddels ziet hij zelfs de voordelen van die andere aanpak. Hij noemt de extreem flexibele instelling en de oplossingsgerichtheid van Indiërs. „Mensen blijven niet star aan hun eigen overtuigingen vasthouden – iets wat bij Nederlanders nogal eens in de weg kan zitten.” In het verlengde daarvan ligt het ontbreken van het opgeheven vingertje: de ‘ik heb het je toch gezegd’-mentaliteit. Dat maakt het leven en werken aangenamer, aldus Leenaars. Net als het respect voor mensen met andere (geloofs)overtuigingen.

Ook Nederlanders zijn niet gevrijwaard van vooroordelen. En we komen er niet al te best vanaf. Volgens de International Expat Explorer survey (2011) van de HSBC Bank is Nederland een van de minst vriendelijke landen voor expats. Op community sites voor expats in Nederland staan kwalificaties als gesloten, onbeschoft en betweterig. Een Britse vriendin die twee jaar in Nederland heeft gewoond en is getrouwd met een Nederlander noemt de krenterigheid van Nederlanders. „Die neiging altijd het goedkoopste te willen vinden, drijft me tot waanzin.”

Gelukkig is er vaak een flinke hoeveelheid zelfcorrigerend vermogen binnen een expat-gemeenschap. Neem deze conversatie binnen de online gemeenschap voor jonge gezinnen in Delhi, Delhibabies. Ene Elsa deed een oproep, ze zocht een hulp in de huishouding die ‘eerlijk is, niet de halve dag liegt en niet haar baby in blote billen meeneemt naar haar werk wanneer haar herhaaldelijk is gezegd dat niet te doen’. Er volgde een reeks reacties waarin de vrouw in alle toonaarden te kennen werd gegeven dat dit soort teksten niet gewaardeerd werd. Waarop Elsa schreef dat ze niet begreep wat er precies zo beledigend was geweest aan haar oproep. ‘But I shall consider myself shamed in a dark corner.’ Ze begreep oprecht niet waarom ze niet op deze manier over mensen zou moeten praten.

Een leven zonder jou

Een jaar geleden fietste ik ’s ochtends door het Amsterdamse Oosterpark langs zwervers die hun eerste biertje opentrokken en leverde ik mijn twee kleine kinderen af bij de crèche. Ik haalde koffie verkeerd en een croissant en toog aan het werk. Nu rijd ik ’s ochtends door het verkeer van New Delhi langs dakloze families om mijn dochter naar haar playschool te brengen. Ik haal croissants bij het bakkertje om de hoek en ga thuis aan de slag. In het weekend hebben we verjaardagsfeestjes en gaan we uit eten of de kroeg in. In plaats van de fiets pakken we de riksja.

Los van het decor verandert er weinig aan de dagelijkse gang van zaken: zo krachtig is de dynamiek van gezinsleven en werk. Dat geeft houvast. Maar dat is slechts de oppervlakte. Het wezenlijke verschil met een jaar terug is dat we ons fundament missen: onze ouders, broers en zussen en dierbare vrienden. Deze mensen zijn onze context omdat ze ons een plaats geven in het verhaal dat we over onszelf hebben geconstrueerd. In Nederland ben ik de oudste dochter in een gezin met naast mij alleen jongens. In de vriendengroep die ik heb opgebouwd tijdens mijn psychologiestudie ben ik degene die is gaan schrijven. Voor de vrienden die ik na mijn studie ontmoette ben ik degene die ooit als psycholoog werkte. Voor de ene vriend ben ik degene met wie je hard uit kunt gaan. Voor de ander ben ik de vriendin met wie je het over literatuur hebt, voor weer een ander degene met wie je een pulpmarathon America’s Next Top Model kunt houden. Hoe hechter de vriendschap, hoe gevarieerder het arsenaal aan activiteiten.

Wanneer je ergens opnieuw begint leren mensen je kennen zoals je nu bent. In mijn geval: een vrouw met twee kinderen die haar brood verdient met schrijven, getrouwd met een correspondent. Ik vind zo’n summiere samenvatting prettig: het is overzichtelijk en relatief vrij van associaties en interpretaties. Voor de mensen die me nog niet kennen is het allesbehalve overzichtelijk en ze zullen me zo snel mogelijk proberen te verbinden met iets wat ze kennen, bewust of onbewust, door er openlijk naar te vragen of door te gissen. En ook ik probeer de mensen die ik ontmoet te plaatsen.

Zo kwamen we er in het eerste gesprek met een Nederlands stel achter dat we alle vier aan dezelfde universiteit hebben gestudeerd. We bezochten dezelfde uitgaansgelegenheden en kennen een paar dezelfde mensen. Toen we na die ene middag afscheid namen was het alsof we elkaar al kenden. Juist in deze vreemde wereld is de behoefte aan bekendheid groot, en met deze mensen hadden we in no time een korte geschiedenis geschreven. We zouden vrienden kunnen zijn geweest.

Tegelijkertijd vind ik het een bevrijding wanneer iemand zich anders gedraagt dan ik verwacht. Het meest geniet ik wanneer ik er volledig naast blijk te zitten: de afstandelijke zakenvrouw ontpopt zich tot een moeke die op zondag muffins staat te bakken of een in mijn ogen zachtbakken type reageert onverwacht koelbloedig wanneer een kind zijn tanden uit zijn mond valt.

Die tweestrijd tussen het verlangen naar vertrouwdheid en vreemdheid is de kern van een zwervend bestaan. Je kijkt er naar uit om terug te gaan naar Nederland om je geliefden weer te zien. Maar toch voelt terugkeren in het verre Delhi als thuiskomen omdat het vreemde vertrouwd is geworden.

Betekent dit dat je de mensen die het fundament van je leven zijn niet mist? Ja en nee. Deze dubbelheid weerspiegelt het tweeslachtige karakter van dat fundament. Enerzijds is er niks fijner dan huiselijke vertrouwdheid: de borrels bij mijn ouders in de keuken, de manier waarop de kranten van de hele week op de tafel liggen opgestapeld, de grondigheid waarmee mijn vader het gootsteenputje reinigt en het rituele optuigen van de kerstboom door mijn moeder. Kleine dingen die me dierbaarder zijn dan ooit tevoren. Het is voorspelbaar en dat voelt veilig – een van de belangrijkste basisbehoeften van een mens.

Maar het kan ook kunnen gaan jeuken. Een collega-emigrant vertelde me eens dat ze bij thuiskomst de Vpro-gids zag liggen op de televisie bij haar ouders en werd overvallen door een gevoel van beklemming. Alles was precies hetzelfde gebleven. Alleen zij was veranderd. Dacht ze.

Die vertrouwdheid kan naast beklemmend ook een belemmering zijn omdat mensen verwachten dat je je op een bepaalde manier gedraagt waardoor de kans dat je je conform die verwachting gedraagt vrij groot is. Veel mensen kennen het gevoel in regressie te schieten zodra ze een voet over de drempel van het ouderlijk huis hebben gezet. In mildere mate gebeurt dat ook wanneer je weer voet op Nederlandse bodem zet. Je dacht dat je was veranderd, dat je het leven anders bekeek, dat je wijzer was geworden. Maar thuis blijk je weer net zo menselijk als voorheen wanneer je verstrikt raakt in de oude patronen van de familie- en vriendenclan. Oude verwachtingen en oude teleurstellingen, oude frustraties en oud zeer, alle gevoelens waarvan je dacht dat ze inmiddels in hevigheid waren afgenomen laaien met teleurstellend gemak weer op.

Je moet onder ogen zien dat je misschien niet zoveel veranderd bent als je had gedacht. Bovendien zie je dat andere mensen ook grote stappen hebben gemaakt in hun leven. En dat is de tweede schok voor degene die vertrokken is. De mensen die je beschouwt als de pijlers van je bestaan hebben een eigen leven. Dit kun je op verstandelijk niveau wel begrijpen maar de verbazing die je overvalt wanneer blijkt dat je lieven gewoon op vakantie gaan zonder jou, nieuwe vrienden en kinderen hebben gemaakt en belangrijke beslissingen hebben genomen zonder je daarin te kennen, verraadt de onuitgesproken verwachting dat iedereen, behalve jij, stil is blijven staan.

Zo zorgt een emigratieavontuur voor een dubbele relativering van het egocentrische perspectief dat de mens eigen is. Niet alleen zie je duidelijker dan ooit de atoomachtige aard van je rol op deze wereld – vooral in een moloch van een land als India – ook je grootheidswaan in de persoonlijke sfeer wordt flink getemperd. Dit betekent niet dat je niet belangrijk bent voor de mensen om je heen, of dat ze minder van je houden dan je had gedacht. Maar je ervaart dat het leven doorgaat zonder jou. En dat besef maakt vrij: je ziet dat mensen, hoe verbonden je ook met ze bent, jou niet perse nodig hebben. En jij hen dus ook niet.

Ik besta niet, in nrc.next

Tegenwoordig zit half Nederland in lotushouding gevouwen om zich te verdiepen in een of andere vorm van Boeddhisme. Een terugkerend element in de zoektocht naar verlichting is het aanvaarden en ervaren van non-dualisme. Dit betekent zoveel als dat elke waargenomen tweedeling schijn is, of het nu gaat om het onderscheid tussen man en vrouw, jezelf en de ander, goed en kwaad. In essentie is alles een.

Een logische gevolgtrekking van die gedachte is het ‘ik’ een illusie is. Een bevrijdende gedachte, en dat is waarschijnlijk ook de reden dat mensen zo hard hun best doen het proberen te doorleven.

Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Proberen te begrijpen dat je niet bestaat is misschien een spannende denkoefening, maar het idee staat mijlenver af van de ervaring. Als je geliefde het achter je rug aanlegt met je beste vriendin dan bestaat er wel degelijk een ik, en wel eentje die de ander het liefst met een hard voorwerp op zijn hoofd zou slaan.

In het boek The Ego Trick ontrafelt filosoof Julian Baggini wat er bedoeld wordt met de illusie van het zelf. Centraal in zijn betoog staat dat een mens geen vaste kern heeft en dat de manifestatie van het zelf voortvloeit een bundeling van mentale, neurologische en fysiologische processen. Een bizarre maar zeer verhelderende illustratie hiervan is het Cotard Syndroom waarbij mensen denken dat sommige delen van hun lichaam niet bestaan. Soms denken ze zelfs dat ze helemaal niet bestaan. Een patiënt met dit syndroom kan je haar levensgeschiedenis vertellen en tegelijkertijd van overtuigd zijn dat ze er niet is. Patienten met temporale epilepsie kunnen momenten hebben waarop ze de wereld om hen heen als echt ervaren maar niet meer weten wie ze zijn. Ze zijn egoloos. De staat die mensen hopen te bereiken door spirituele discipline kan dus door een freak pathology kan worden veroorzaakt, schrijft Baggini.

Er bestaat dus geen ‘parel van het zelf’ waarin je identiteit besloten ligt, het lichaam, je hersenen en je geheugen bepalen wie je bent. Er is bovendien geen bewijs voor het bestaan van een immateriële ziel. Een ander belangrijk kenmerk van de ervaring van een eenheid van een persoon, is dat het robuust en fragiel tegelijk is: een dement persoon is haar autobiografische zelf kwijt maar heeft tegelijk een aantal kernachtige elementen van haar karakter behouden.

Wat betreft de sociale context merkt Baggini op dat ondanks de grote impact op de wijze waarop we onszelf ervaren, de ervaring van jezelf een intern en psychologisch fenomeen is. Denk aan een vrouw die haar hele leven lang voelt dat ze een man is ook al wordt ze als een vrouw behandeld. De ervaring van de eenheid van ‘ik’ is psychologisch.

Tegelijkertijd is die ik niet vast te pinnen. Leg dit stuk even opzij en probeer jezelf te ontwaren tussen je gevoelens, gedachten, herinneringen en ervaringen. Voor de meesten zal dit een onmogelijke opdracht zijn. De reden hiervoor is wat de filosoof Gilbert Ryle de ‘systematic elusiveness of I’ noemt: we kunnen niet object en subject tegelijk zijn. Het is hetzelfde als met het nu, legt Baggini uit. Het moment dat je je er bewust van bent is het al weer verdwenen. En zo is het ook met ervaren van jezelf: het moment dat je je volledig bewust bent van jezelf, verandert de ervaring die je probeert te observeren.

Als kind probeerde ik mezelf te horen denken. Ik herinnerde me ik kon denken zonder me bewust te zijn van dat denken, dan zou ik dat toch ook moeten kunnen meemaken. Het is me nooit gelukt. Jezelf waarnemen in de warboel van je ervaring is even onmogelijk als jezelf vanachter bespringen.

Onze geest – mind – is een aaneenschakeling van gewaarwordingen, en jij, het ding dat die gewaarwordingen heeft, valt daarmee samen. Ik is een werkwoord. Vergelijk het concept ik met liefde. Liefde wordt gebruikt als een zelfstandig naamwoord, maar het is geen concreet ding. Liefde is ongrijpbaar en een product van talloze fysieke en mentale processen. Dat geldt ook voor de geest, voor de psychologische ervaring een eenheid te zijn, een ik. En dat is de kern van de Ego Trick, schrijft Baggini: een gevoel van eenheid te creëren uit een chaotisch samenraapsel van gedachten, herinneringen, gevoelens en ervaringen in een brein zonder centrale controle. De truc werkt en de ervaring van een ik is dus wel degelijk reëel. We gaan alleen de mist in wanneer we denken dat er een eenheid ten grondslag ligt aan dit ik.

Deze redenering sluit aan bij de illusie van het zelf uit het Boeddhisme, aldus Stephen Batchelor, een atheïstische Boeddhist en schrijver van Buddhism without Belief. De leer van de Boeddha draait om de manier waarop we proberen om te gaan met de wijze waarop de wereld zich aan ons presenteert. Het bestaan is niks anders dan een open veld waarin veranderende en met elkaar samenhangende gebeurtenissen plaatsvinden. Daarbij is er wel degelijk een ik die dat allemaal ervaart, maar dat ik is simpelweg dat wat we van onszelf maken. Zoals timmermannen hout bewerken, zo creëren verstandige mensen zichzelf. Dat gebeurt heel recht toe, recht aan: door gedrag – karma. Daar is weinig transcendents aan, behalve wellicht de implicatie dat er geen vaststaand zelf kan bestaan. Samengevat: niet het zelf is een illusie, maar de gedachte dat dit zelf een onveranderlijke, eeuwige kern heeft.

Baggini vergelijkt het met de illusie van de desktop op je computer. Er bestaan geen nette blauwe mapjes in je computer waar je documenten in zijn opgeborgen. Aan die illusie van ordelijkheid liggen talloze ingewikkelde technische processen ten grondslag waar je geen weet van hebt. User illusion heet dat, en zo zou je de ervaring van het zelf ook kunnen beschouwen: het zelf is een werkbare constructie die veel minder coherent en eenduidig in elkaar steekt dan je ervaring je vertelt.

Wanneer je die illusie af en toe weet door te prikken ben je in staat jezelf en anderen niet al te serieus te nemen. Je ziet alles – emoties, gedachten, ervaringen, herinneringen – voor wat het is: de zoveelste verschijning die zich aan je voordoet en die weer zal verdwijnen. Ik denk dat ik ben, dus ik ben.

Risico in nrc.next

Met het vliegtuig reizen is minder gevaarlijk dan met de auto. Toch pakken de meeste mensen bang liever de auto dan het vliegtuig. Van roken is onomstotelijk bewezen dat het dodelijk is. Toch roken mensen door. Onveilige seks: zelfde verhaal. Dezelfde mensen kunnen zich opwinden over de vraag of hun groente bespoten is.

Risico is kansberekening. Kans betekent schatting en dat betekent onzekerheid en dat komt neer op controleverlies. Daar houdt de gemiddelde mens niet, en om de vervelende emoties die daarmee gepaard gaan het hoofd te bieden gaat hij knoeien met zijn kansen.

De mate waarin iemand in staat is waarschijnlijkheden in te schatten heet risico-intelligentie, legt Dylan Evans uit in zijn boek Risk Intelligence dat dit voorjaar verscheen. De kern van risico-intelligentie is om de grenzen van je kennis te bepalen: je bent voorzichtig wanneer je niet veel weet, en hebt vertrouwen wanneer je wel veel weet. Risico-intelligentie heeft dus nadrukkelijk niet met kennis te maken, eerder met zelfkennis. Evans, gepromoveerd in filosofie aan de London School of Economics, schrijft dat risico-intelligentie niet alleen een rol speelt bij het bepalen hoe waarschijnlijk het is dat er iets mis gaat, maar ook om te bepalen hoe groot de kans is dat er iets positiefs gebeurt – zwanger raken, de lotto winnen, slagen voor je examen.

Ik woon sinds een half jaar met mijn gezin in India, een land met beduidend meer risico’s dan in Nederland. Omdat ik ben opgevoed met het adagium dat de mens het meest lijdt onder het lijden dat hij vreest, liet ik me hier niet door weerhouden. Door hier te wonen merk ik dat mijn perspectief op gevaar verandert. Het hellevuur van het verkeer, de ziekteverspreidende muggen, de belabberde luchtkwaliteit, het waren dingen waar ik in Nederland buikpijn van kreeg als ik er aan dacht en die ik nu een stuk nuchterder bekijk. Dat heeft ten eerste te maken met het psychologische fenomeen cognitieve dissonantie: ik pas mijn denkbeelden aan aan mijn gedrag, in plaats van andersom. De tweede factor die maakt dat mijn risico-intelligentie verandert is dat ik nu aan den lijve de relativiteit van de risico’s ervaar.

Wanneer die ervaring ontbreekt maken mensen gebruik van allerhande vuistregels. Die vuistregels zijn niet perfect met als gevolg dat mensen behoorlijk feilbaar zijn in het inschatten van risico’s. Die feilbaarheid heeft te maken met het feit dat onze waarneming wordt gestuurd door allerhande cognitieve short cuts die het waarnemen vergemakkelijken. Een voorbeeld hiervan is de beschikbaarheidsregel: wanneer je iets vaker hebt gehoord of gezien schat je de kans dat het gebeurt hoger in. Volgens Evans handig voor onze voorouders op Afrikaanse vlaktes, maar minder handig voor de moderne mens die de hele dag staat blootgesteld aan beeld, tekst en nieuws.

Naast cognitieve short cuts maken mensen grove denkfouten die voortkomen uit een bepaalde vooringenomenheid. Zo zijn de meeste mensen doorgaans te optimistisch: ze overschatten hun kans om de loterij te winnen en onderschatten de kans dat hun huwelijk zal stranden.

Een andere fout is dat we de mate waarin we andere mensen kunnen lezen overschatten. Zo denken veel mensen dat ze heel goed kunnen zien wanneer iemand tegen ze liegt. Onterecht, zo blijkt uit het onderzoek dat Evans aanhaalt in zijn boek.

In liefdesrelaties groeit doorgaans het vertrouwen dat mensen hebben in hun oordeel over hun partner. Ook onterecht: onderzoek laat zien dat geliefden in de beginfase van hun liefde meer hun best doen uit te vogelen wat hun lief denkt. Hoe langer mensen bij elkaar zijn, hoe lager ze scoren op empathische accuraatheid. Het is dus makkelijker iemand te bedriegen met wie je jaren samen bent dan een nieuwe geliefde. En dus ook om bedrogen te worden.

Niet alleen dit soort menselijke denkfouten bepalen hoe risicovol iemand zich gedraagt. Iemand met een hoge risico-intelligentie is niet perse voorzichtig. Gedrag is ook afhankelijk van de behoefte aan risico: risk appetite. Dit zijn de bungeejumpers, oorlogsverslaggevers en testpiloten onder ons.

Ook wanneer het gaat om verslaving is er sprake van cognitieve acrobatiek: niet alleen schatten we onze kansen positiever in dan de statistieken rechtvaardigen, wanneer de feiten ons in het gezicht schreeuwen, zoals bijvoorbeeld bij het lezen van waarschuwingen en zien van zwartgeblakerde longen op een sigarettenpakje, heeft dat geen enkel effect. Volgens een stel onderzoekers van de Universiteit van Maastricht bestaat zelfs de kans dat rokers er meer door gaan roken. Mensen angst aanjagen heeft alleen effect wanneer ze het idee hebben dat ze hun gedrag kunnen veranderen, en dat hebben de meeste rokers niet.

Al deze grove en minder grove denkfouten hebben met elkaar gemeen dat we onze onwetendheid en dus mogelijk risico bagatelliseren, onze kop in volledig het zand steken of gevaren juist overdrijven. Wat we doen is afhankelijk van de situatie en ons karakter. Zo schrijft Susan Sontag in een van haar gepubliceerde dagboeken dat een onvoorspelbare toekomst haar angstig maakt. Vooral op het gebied van liefde en sociale relaties. Op werkgebied staat ze juist open voor risico. ‘But I have been so damned cautious, self-protective, uninventive, anxiety-prone, and needful of reassurance in matters of love. I am so very much more cool, loose, adventurous in work than in love. So much more inventive. So easily convinced that if ‘this’ doesn’t work out, something else will — that there’s always ‘more.’

Een andere optie is een perspectief op onzekerheid waarbij risico niet wordt uitgebannen of opgeblazen maar geaccepteerd. In het boek Where the Heart Beats, Kay Larsons biografie over John Cage, schrijft Larson dat het leven en werk van Cage werden geleid door het principe van onbestemdheid. Niks ligt vast, niet in muziek en kunst, niet in het leven.

Dat principe gaat ook op wanneer je al het risico uit je leven bant. ‘Maar wat als een van de kinderen nu heel ziek wordt in India, zal ik mezelf dat dan kunnen vergeven?’ vroeg ik aan een vriendin voor vertrek. ‘Nee. Maar dat kan je ook niet wanneer het hier de straat op rent en wordt aangereden,’ antwoordde ze.

Nu zijn we in India. En het gaat goed, tot nog toe. In stilte houd ik rekening met een ramp. Maar dat deed ik in Nederland ook, helemaal sinds ik kinderen heb. Het voelt als een overwinning om sterker te zijn dan de angst voor ongeluk en de kans op geluk als uitgangspunt te nemen. In plaats van te bedenken wat er allemaal mis kan gaan, bedenk ik wat er allemaal zou kunnen lukken. De beloning is groot: ons leven heeft er een nieuw hoofdstuk bij met nieuwe mensen, perspectieven en verhalen.

Je hoeft geen kunstenaar, mysticus of avonturier te zijn om te ervaren dat het bestaan zindert van de mogelijkheden. Dat kan ook wanneer je dagelijks in de stoptrein naar Utrecht Overvecht zit. Je moet het alleen wel zien, en dat heeft te maken met wat je verwacht. Dat je om precies 18:07 op het perron staat of dat het ook zomaar zou kunnen dat de trein middenin een weiland tot stilstand komt en zich een discussie ontspint met een medepassagier naast wie je de rest van je leven wakker wordt.

Het genie van Forrest

‘Wat wil je worden?’ Toegegeven, de vraag is wat aan de vroege kant voor een kind van drie, maar ik kan het niet laten. ‘Een grootmens. En ik wil kindjes. En ik wil vliegen. Met vleugels.’

Terwijl ik er zelf nog steeds niet helemaal over uit ben wat ik later wil worden moet ik een kind klaarstomen voor de grotemensenwereld. Dan is het Nederlandse mantra ‘Als het maar gelukkig is’ een uitkomst. We overgieten haar met liefde, zullen zo goed mogelijk naar haar luisteren en haar helpen waar nodig. Verder proberen we haar tot haar achttiende bij alcohol, drugs en foute jongens uit de buurt te houden en zullen we haar omringen met dat waarvan wij vinden dat het het leven de moeite waard maakt: boeken, muziek, een warm en fijnmazig sociaal netwerk. Natuurlijk bezoeken we elke open dag die er is. Zullen we meepuzzelen bij wiskundige vergelijkingen en lessen genetica. Maar bij haar keuzes zullen we ons laten leiden door haar wensen en hopen dat ze via de grillige weg van viool naar airbrush, teakwondo en ballet uiteindelijk haar bestemming vindt.

Het is geen onaardig streven: gelukkig zijn. Punt is alleen dat het als doel vrij waardeloos is. Geluk is, zo beweren oude wijsgeren en moderne gelukspsychologen, een gevoel dat samenhangt met bevredigende sociale relaties en bezigheden die je als zinvol beschouwt. De druk om gelukkig te worden kan hierdoor verlammend werken.

Bovendien is het de vraag of we ons die focus op geluk nog wel kunnen permitteren in dit tijdperk van economische neergang. De vorige generatie werd groot in een wereld waarin zaken als een vaste aanstelling, pensioenopbouw en overwaarde op een huis vanzelfsprekend waren. Nu staan banen op de tocht, werken ZZP-ers zich een slag in de rondte om voldoende opdrachten binnen te halen en moet je met lotgenoten vechten om een vacature. Het zesje dat een acht had kunnen zijn ziet die mooie baan aan zijn neus voorbijgaan en dat betekent dat het belangrijk is om het beste uit jezelf te halen.

Deze gedachtegang verklaart de belangstelling voor het boek Strijdlied van een tijgermoeder van de Chinees-Amerikaanse Amy Chua. Uit een onderzoek van J/M-magazine bleek dat Chua de meest geciteerde opvoedkundige in 2011 was. Ook in het recent verschenen boek Over de top van Yvonne van Sark en Huub Nelis van communicatiebureau YoungWorks wordt een pleidooi gehouden voor het kweken van excellentie. Ze stellen de vraag of die als-ze-maar-gelukkig-zijn-houding nog wel houdbaar is. Krijgen we straks te maken met de wet van de remmende voorsprong? vragen ze zich af.

Een beetje meer tijgeren in de polder lijkt dus het devies. Klopt dat? Niet helemaal, aldus Wilma Vollebergh, hoogleraar Jeugdstudies aan de Universiteit Utrecht die wordt geciteerd op de site Oudersonline. De Nederlandse opvoedcultuur waarin de nadruk ligt op flexibiliteit, sociaal-emotionele intelligentie en de band tussen ouders en kind, blijkt namelijk goed te werken. Zijn ouders niet streng genoeg dan worden er maatregelen genomen. Neem alcohol: het gebruik vermindert snel onder jonge kinderen. Tweede argument van Vollebergh is dat competitie al ruimschoots wordt gestimuleerd middels honours klassen voor excellente studenten en aparte klasjes voor hoogbegaafde kinderen. Aandacht voor ambitie kan geen kwaad, maar stimuleer het en sla het er niet in, is haar advies.

Hoe doet je zoiets? Een van de belangrijkste dingen die je je kind kunt leren is de nadruk op talent te relativeren, is te lezen in Over de top. Dit betekent dat je ze leert dat er geen sprake is van een vaststaand talent maar dat iedereen het vermogen heeft zich te ontwikkelen. Falen wordt in een ander licht gezien: het is een kans om te leren en geen teken van onvermogen.

En er is nog iets. In Over de top staat een aantal gesprekken met jongeren over de betekenis van excelleren. Daaruit blijkt dat veel jongeren een nogal ambivalente relatie hebben met hun talent. Een meisje dat een honoursvak volgt: ‘Ik merk dat ik liever niet veel vertel. Ik heb dan het idee dat ze vinden dat ik me uitsloof.’ Iemand die uitblinkt wordt al snel gezien als een streber. Het is de bekende irritatie over de kop die boven het maaiveld uitsteekt.

Een mogelijke reden voor deze aversie tegen ambitie is dat iemand die hard werkt blijk geeft van het vermoeden ergens goed in te zijn. Of te kunnen worden. Hij heeft het lef te denken dat hij iemand is. En als je kijkt naar de manier waarop de uitblinker wordt verbeeld in films dan lijkt de algemene opvatting dat er een psychologische afwijking ten grondslag ligt aan succes. In films als Million Dollar Baby of The Fighter wordt het fanatisme van de talentvolle vechter gevoed door iets pijnlijks: een zware jeugd, armoede. Ook de bolleboos in Good Will Hunting wordt geplaagd door een onplezierige herinneringen uit zijn kindertijd. De geniale hoofdpersoon in A Beautiful Mind is schizofreen.

Misschien wel het bekendste personage uit de filmgeschiedenis dat zichzelf keer op keer overstijgt is Forrest Gump: een jongen met een laag IQ die vreselijk hard blijkt te kunnen rennen en zo met een football-beurs naar de universiteit kan. In de oorlog verricht hij de ene heldendaad na de andere. Later blijkt hij een ster in tafeltennis te zijn en speelt hij toernooien op het hoogste niveau. Zijn volledige gebrek aan gene en ongevoeligheid voor groepsdruk zorgen ervoor dat hij kommerloos van het ene succes in het andere rolt. Niet dat hij het als succes ervaart overigens, ook eerzucht is hem volkomen vreemd.

Zijn intelligentere jeugdvriendin en grote liefde Jenny mist die gevoeligheid voor haar sociale en historische context niet: ze gaat een tijd als hippie door het leven om vervolgens high op de rand van een balkon te balanceren. Uiteindelijk sterft ze aan Aids. Forrest heeft een fortuin vergaard waarvan hij zijn zoon Forrest-junior, slimste jongetje van de klas, kan onderhouden. Zijn genen zijn succesvol overgeleverd.

Voor een deel heeft deze voorstelling van zaken te maken met de romantische notie van de het zonderlinge genie of het dubbeltje dat zichzelf een weg richting kwartje vecht. Maar het toont nog iets: dat er een drijvende kracht nodig is die ervoor zorgt dat iemand bereid is zich te onderscheiden en bloed, zweet en tranen te offeren. Dat kan wraaklust zijn, een monomane liefde voor wiskunde of voor een jeugdliefde.

Bij Forrest Gump is de drijvende kracht bij de ontdekking van zijn eerste talent en mengeling van angst en liefde: de eerste keer dat hij zo hard rent is wanneer hij achterna gezeten wordt door jongens die hem pesten met de beugels om zijn benen. Al rennend schieten de beugels los terwijl Jenny hem toeschreeuwt zo hard te lopen als hij kan – ‘Run, Forrest, Run!’

Dat is misschien wel het belangrijkste wat een ouder kan doen: een kind leren moeilijke en pijnlijke fases met open vizier tegemoet te treden en te beschouwen als een motor in plaats van een rem. Dan moet die ouder wel kunnen verdragen dat het kind niet altijd gelukkig en tevreden is. En dat is geen geringe opgave.

Missen

„Missen is iets wat je voelt als iets er niet is.” Aldus de mier, een personage uit een verhaal van Toon Tellegen. Hij stelt voor om te onderzoeken of zijn vriend de eekhoorn en hij elkaar zullen missen of dat ze elkaar zullen vergeten. Ze missen elkaar hevig en zoeken elkaar daarom maar snel weer op. „Het klopt,” zei de mier. „Ik mis jou ook. En ik ben je niet vergeten.” Ze zijn nog geen hele ochtend uit elkaar geweest.

Over een week vertrek ik met man en dochters naar Delhi, India. Acht uur vliegen van huis. Net als de mier en de eekhoorn vraag ik me af hoe dat missen zal voelen. Al in de aanloop naar het afscheid kantelt mijn perspectief.

Zaterdagochtend, nog zeven dagen

Half elf tot half twaalf. Heilig Uur. Dochter is naar dansles en ik wacht in een café met koffie en krant. Niet zomaar een café: hier dronk ik menig glas teveel in de tijd dat ik nog niet elke dag om zeven uur paraat moest staan, ik had er eens ruzie, verbrak er een kansloze relatie, staarde er verliefd in iemands ogen. Ik ken de barman en waardeer het dat hij nooit een praatje met me aanknoopt. Als blijk van herkenning brengt hij me ongevraagd de goede koffie. Een collega-emigrant schreef dat ze zo gelukkig was toen ze iemand haar naam hoorde roepen in haar nieuwe woonplaats. Het meest vervreemdende van elders neerstrijken is niet dat jij die nieuwe wereld niet kent, maar dat die nieuwe wereld jou niet kent, vond ze.

In de krant staat een stuk over Third Culture Kids: kinderen die op verschillende plekken op de wereld hebben gewoond. Rusteloos zijn ze, Nederland is als een te krappe jas. Ben ik dat ook? Geboren in Afrika, op mijn vierde terug naar Nederland. Niks vergeleken met de jongeren in het artikel: Thailand, Canada, Australie, Zuid-Afrika, en dan nog maar veertien zijn. Zadel ik mijn dochters nu ook op met de neiging tot zwerven? Steeds maar weer kijken wat er achter de volgende grens ligt, willen weten hoe het is om ergens anders te zijn. Maar, stellen de onrustige zielen in het artikel me gerust: het maakt je wel tolerant, opgroeien in zo’n internationale omgeving.

Zondagochtend, nog zes dagen

Ik draai croissants, dochters zitten in bad. Op de radio gaat het over de Matthäus-Passion, er wordt een flard van de Bijbeltapes afgespeeld, het stuk waarin Jezus aan zijn apostelen vraagt of ze weten wie hij is. Ik graaf in mijn geheugen, tijdens die paar jaar dat ik naar een katholieke school ging had ik een religieuze oprisping, daar moet toch iets van over zijn? Opeens besef ik hoe vreemd het is dat ik me nu verdiep in talloze Hindoegoden, terwijl ik van onze eigen Jezus nauwelijks meer wat weet.

De gasten in het radioprogramma hebben het over de mate waarin het verhaal van het lijden en het sterven van Jezus verankerd is in onze cultuur. En of dat nu in de muziek zit, of in de tekst. De muziek, zegt de een. Nee, de tekst, zegt de ander, vooral dat stukje waarin wordt gevraagd om te worden geholpen bij het klagen, die verheerlijking van het lijden, dat is typisch voor onze cultuur.

Net zoals mensen slechte beoordelaars zijn van, bijvoorbeeld, de staat van hun relatie, is het moeilijk te zien wat typisch is voor een cultuur waar je zelf deel van uitmaakt – een belangrijk motief om te vertrekken.

Maandag, nog vijf dagen
Uitschrijven bij de gemeente. Dochter van een moet mee, geen oppas. Ik zet haar op de balie, ze gooit het mandje met nummertjes om terwijl de gemeenteambtenaar formulieren invult, wat kopieert en hier en daar een stempel zet. De ambtenaar zegt dat onze gegevens worden bevroren. Ik zie het voor me, onze data on hold te midden van doortikkende cijfers die geboortes, sterfgevallen en huwelijken markeren. En dan straks een data-gat dat je de rest van je leven blijft achtervolgen. Ik ontdekte onlangs dat ik geen geldig geboortebewijs heb, acht maanden en een slordige twee honderd euro kost het om dat recht te zetten. Wanneer we het gemeentehuis uitlopen voelt het alsof we er nu al niet meer helemaal bijhoren. Ik denk aan de Mauro’s in en buiten ons land. Wat daarnet in dat gemeentehuis gebeurde is van een onbeschrijfelijk luxe.

Dinsdag, nog vier dagen

Fietsend door de stad – langs de Amstel, Carré, de Magere Brug over, kriskrassend over de grachten richting Westertoren – word ik overvallen door het gevoel door een museum te fietsen. Voor het Anne Frankhuis staat zoals altijd een lange rij. Vijf jaar lang woonde ik er twee minuten lopen vandaan. Nooit binnen geweest. Zal ik straks in Delhi alle historische hoogtepunten bezoeken, of ook na een paar jaar vertrekken zonder het Rode Fort van binnen te hebben gezien? Na mijn afspraak maak ik een omweg om Multatuli gedag te zeggen. Nu pas zie ik wat een indrukwekkend beeld het is, hoe dat verwilderde, markante hoofd zo soeverein op zijn sokkel boven de hoofd van voorbijgangers uit torent.

Woensdag, nog drie dagen
Boodschappen doen bij de te dure biowinkel op de hoek. Ik vertel de Turkse man van het brood dat we over een paar dagen vertrekken. Hij zet extra sterke koffie voor me, stopt mijn dochter een dik stuk kaas toe en trekt haar afgezakte sokjes omhoog. Als we afscheid nemen zeg ik ‘tot over een paar jaar!’ Ik vraag het me af. Het besef dat er waarschijnlijk een heleboel mensen zijn die ik voor het laatst zal zien komt met een dreun binnen. Juist de mensen die je niet goed kent, maar die bij je leven zijn gaan horen als de lucht.

Donderdag, nog twee dagen
Ons afscheidsfeest. Een feest als alle anderen. Maar dan, het uur voordat we tent uit zullen worden geveegd, krijg ik het op mijn heupen. De hele avond praat ik beleefd met iedereen, maar niet met mijn meest dierbare vrienden – zoals dat vaak gaat, hen hoef je immers niet te vermaken. Maar juist hen zal ik missen. Ik onttrek me met een smoes aan een gesprek en ga bij mijn vrienden staan. Daar wordt even met geen woord over mijn vertrek gerept maar hard gelachen om grappen die alleen voor ons grappig kunnen zijn. Over missen gesproken.

Vrijdag, laatste dag
Vandaag nemen onze dochters afscheid van de crèche. Tegen dit moment heb ik vreemd genoeg het meest op gezien. De oudste, drie, heeft de dag van haar leven: ze heeft een kroon, heeft uitgedeeld en krijgt een cadeau. Haar zus van een heeft niks door, voor haar is het een dag als alle andere waarop ze wordt verzorgd door haar leidsters, twee donkere schonen. Ze worden uitgezwaaid met zakdoekjes, de oudste krijgt snotkussen van haar groepsgenootjes en de leidsters knuffelen de kinderen plat. Als we door het park terug naar huis lopen zeg ik tegen de oudste dat we nu echt naar India gaan. Ze knikt en ik krijg een brok in mijn keel.

Mijn dochters zijn als de mier en de eekhoorn: geen idee wat missen is. Alleen kunnen zij niet terugrennen als ze iets voelen wat er niet is. Ze zullen ontdekken dat missen in de meeste gevallen vroeger of later eindigt in vergeten, waarschijnlijk een belangrijke reden dat de meeste mensen zich tegen afscheid nemen verzetten. Terwijl weggaan nu juist zo heilzaam kan zijn. Je ziet de schoonheid van dingen waar je elke dag gedachteloos langsloopt, voelt wie en wat er echt belangrijk voor je is. En wat dat vergeten betreft: wat goed is, blijft. De rest is ballast.