Gearchiveerd onder: Geschreven
Mijn eerste korte verhaal in De Gids
http://www.literairtijdschrift-degids.nl/?p=5865
Gearchiveerd onder: Overig
http://dearphotograph.com/
Gearchiveerd onder: nrc.next
Een man geeft een vrouw een vuurtje. Ze zitten op opklapstoeltjes, achter hen een wilde haag van hoog gras. Waarschijnlijk is het warm, haar armen zijn bloot, hij heeft korte hemdsmouwen. Zij leunt met haar hand op haar vuist, haar gezicht wordt aan het zicht onttrokken door een schaduw, zijn gezicht is duidelijk zichtbaar, zonlicht weerspiegelt in het glas van zijn horloge.
Zomaar een zwart-wit foto. Voor mij bijzonder omdat het mijn grootouders zijn. Uit deze jonge mensen kom ik voort. Nog specialer is het voor mijn moeder: dit zijn haar ouders en er bestaan weinig foto’s uit die tijd. Bij haar roept het beeld een scala aan herinneringen en daarmee samenhangende gevoelens op – fijne en minder fijne, zoals dat gaat met herinneringen en de daarmee samenhangende gevoelens.
Mijn moeder kreeg de foto onlangs opgestuurd van haar broer. Niet lang daarna verscheen de foto op Facebook, getaged naar haar eigen pagina, mensen reageerden erop. In weerwil van haar angst hopeloos ouderwets te klinken gaf ze na mijn aandringen toe het niet prettig te vinden dat de foto online stond. Daar hield ze het bij, alweer ingehaald door de angst hopeloos ouderwets te klinken.
Een week later bezochten we samen What’s Next: The Future of The Photograpy Museum in het Fotografiemuseum Amsterdam (Foam), een tentoonstelling over de waarde van de foto als museumobject in een tijd waarin een foto niet perse beeld en object tegelijk meer is. Vier curatoren hadden hun visie hierop mogen verbeelden. Een van hen is Erik Kessels, medeoprichter van het Amsterdamse communicatiebureau KesselsKramer, die gedurende vierentwintig uur al het beeldmateriaal dat mensen online plaatsen van het internet heeft gedownload en geprint en letterlijk in twee grote ruimtes heeft neergestort. Zijn werk, getiteld 24 HRS IN PHOTOS, maakt hiermee aanschouwelijk hoe het intieme leven van anderen over ons wordt uitgestort. Staand tussen de bergen foto’s zei mijn moeder: ‘Dit bedoel ik.’ Tussen die duizenden foto’s van Thaise huwelijken, babygezichten onder de appelstroop en ladderzatte Amerikaanse studenten tijdens hun Spring break, lagen haar dierbare ouders. Op de digitale straat.
De afgelopen decennia zijn de ontwikkelingen binnen de fotografie in een stroomversnelling gekomen. Een van de meest in het oog springende veranderingen is de toename van het aantal foto’s die een gemiddeld mens maakt. Resultaat is dat beeld aan inflatie onderhevig is. Een foto is vandaag minder bijzonder dan in de tijd van onze grootouders.
Schrijfster Susan Sontag schreef over fotografie en had het over ‘fotografisch kijken’: mensen leren naar de werkelijkheid kijken als een fotograaf waardoor het bestaan transformeert in een serie van gebeurtenissen die worden vastgelegd in foto’s. ‘Today everything exists to end in a photograph.’
Een gevolg van dat fotografische kijken is dat ons realiteitsbesef ‘deplatoniseert’. De grotmetafoor van Plato beschrijft dat wat we waarnemen slechts een schaduw is van de werkelijkheid, en dat lijkt een adequate omschrijving voor de manier waarop fotografie de realiteit vat. Volgens Sontag zorgt het vermeende onthullende karakter van fotografie er juist voor dat er in onze ervaring steeds minder een onderscheid bestaat tussen kopie en werkelijkheid: de foto is een uitbreiding van de werkelijkheid. Terwijl een foto weinig met de werkelijkheid te maken heeft, aldus Sontag: verschrikkelijke dingen kunnen er prachtig zien op een foto, denk aan esthetische oorlogsfoto’s, en mensen zien er op een foto soms mooier uit dan in werkelijkheid – denk aan de bekoring die uitgaat van het fotomodellensprookje waarin een grijze muis door de lens van de fotograaf wordt omgetoverd tot een schoonheid van mythische allure.
Desondanks krijgt het gefotografeerde leven bestaansrecht naast het geleefde leven. Een voorbeeld. Bij mijn beider kinderen nam ik in de eerste weken dagelijks talloze foto’s en eens in de zoveel dagen schoot ik raak: had ik weer een mooi plaatje om op te sturen naar hunkerende oma’s, maar vooral om toe te voegen aan mijn eigen serie Meest Bijzondere Baby Ooit. Ik zal niet zover willen gaan dat ik meer met de foto’s dan met de baby zelf bezig was, maar er sloop een zekere jachtigheid in mijn queeste naar weer zo’n goed gelukt portretje. Had ik een paar dagen alleen maar middelmatige foto’s gemaakt dan werd ik fanatieker, en ging ik net zolang door tot ik mijn baby de goede uitdrukking had (best lastig bij iemand van een paar weken oud), en de lichtval, de kleuren en de compositie perfect waren.
De populariteit van de Hipstamatic App van de iPhone – een programmaatje waarmee je foto’s maakt die met een antieke filmcamera geschoten lijken te zijn – is in dit verband veelzeggend. De aantrekkingskracht van deze app zal voor een deel te maken hebben met het feit dat zo’n retro-foto er al snel kunstig uitziet. En, niet onbelangrijk, dat de meeste mensen er nogal goed op uit de verf komen. De werkelijkheid wordt op een prachtige manier geweld aangedaan.
Maar het belangrijkste van zo’n Hipstamatic-foto is de nostalgische kwaliteit. Ik heb een jeugdfoto uit het predigitale tijdperk met daarop onze Renault 4, mijn moeder als jonge vrouw en mijn broertje en ik als kleuter. Het is een slordig beeld, een beetje scheef genomen, overbelicht, we worden alledrie op de rug gefotografeerd. Het papier is wat gekreukeld en vreselijk verkleurd, alsof er een pot rode verf overheen is gevallen die alles in verschillende roodtinten heeft gekleurd – precies zoals de Hipstamatic dat kan. Al jaren is het een van mijn meest dierbare foto’s, ik verhuis hem overal mee naartoe. Juist omdat ‘ie zo beduimeld is en een beetje mislukt. Een foto zoals een herinnering: gefragmenteerd, gekleurd, associatief, onscherp. Ondanks of misschien juist wel door de lawine aan beelden, steeds scherper en levensechter, koesteren we die ene foto waar de tijd zijn tanden in heeft gezet. De Hipstamatic App helpt ons daar een beetje bij – ook al houden we onszelf overduidelijk voor de gek.
Deze hang naar nostalgie onderstreept de emotionele lading die een foto nog altijd heeft, ondanks het feit dat we omkomen in de beelden. Ook al geloven we niet, zoals in sommige culturen, dat onze ziel wordt gestolen wanneer er een foto van ons wordt gemaakt, een foto van een geliefde kan bezield raken. Een manier om hier recht aan te doen, is ervoor te zorgen dat zo’n beeld zijn exclusiviteit behoudt. Een online publicatie maakt daar voorgoed een einde aan.
Ik vraag me af of mijn dochters later uit de berg digitale foto’s van hun jonge jaren een favoriet kunnen kiezen. Misschien zijn ze wel zo doodgegooid met beeld dat de romantiek er dan toch echt af is. Ik vermoed dat het verlangen naar een paar iconische beelden van je eigen leven blijft bestaan. Waarschijnlijk zijn dat doodgewone, beetje mislukte, digitale foto’s, die tegen die tijd hoe dan ook hopeloos ouderwets aandoen.
Gearchiveerd onder: nrc.next
Beste Arnon Grunberg,
ik moet u waarschuwen: deze brief komt in de krant. Dat zeg ik niet om u verleiden verder te lezen, al is dat mooi meegenomen, maar omdat ik graag zo eerlijk mogelijk wil zijn over mijn motieven u te schrijven en om u te laten weten dat we niet alleen zijn.
Het zit zo: nrc.next vroeg me een stuk te maken over iets wat ik altijd al heb willen doen, maar nooit heb gedurfd. Nadat ik de standaardverlangens de revue had laten passeren – parachutespringen, LSD slikken, een minnaar nemen – besloot ik voor een drastischer optie te kiezen. Dit schrijven is een confrontatie met de werkelijkheid en zal me waarschijnlijk van een dierbare illusie beroven. Daar zie ik niet naar uit, toen ik deze opdracht bevestigde bij de eindredacteur voelde ik onmiddellijk de behoefte me terug te trekken.
Ik wil u al heel lang iets vragen. Wat ik dus niet durfde. Laat me eerst uitleggen wat er aan de hand is, dan snapt u me misschien.
Langzaam raken onze levens met elkaar verweven. Althans, het uwe met het mijne. Een heel concreet voorbeeld is dat ik de vrouw ken op wie een van uw personages in Huid en Haar geïnspireerd lijkt te zijn, de dame die de Vroom en Dreesmann Literatuurprijs organiseert. De wijze waarop u haar getroffen hebt heeft mij een paar weken in een buitengewoon goed humeur gebracht. Meer dan dat: uw karakterisering van deze persoon gaf woorden aan een door mij lang gekoesterd ongenoegen waardoor dat als bij toverslag verdween. Vervolgens heb ik de vrijheid genomen dit personage zelf onder handen te nemen in een kort verhaal. Ze heeft het niet overleefd. Ik wil geen medeplichtigheid suggereren, maar het voelt als een gezamenlijke inspanning.
Het komt voor dat ik niet precies weet wat ik ergens van moet denken of vinden, zoals onlangs bij dat wonderlijke stuk over tatoeages in NRC Handelsblad, en u in drie zinnen samenvat wat ik verontwaardigd heb lopen sputteren tegen mijn zoetjesaan afhakende vriend tijdens het zondagochtendontbijt. Dezelfde vriend die u een keer in een column heeft genoemd trouwens, hij was iemand waar u jaloers op was, iets wat volgens u niet vaak voorkomt. Het is weer een voorbeeld van een manier waarop geschreven levens elkaar raken: u reageerde in dit geval op het geschrevene van mijn vriend.
Daar was een reden voor, u deelt zijn voorliefde voor uitstapjes naar conflictgebieden. Ik betwijfel of jullie motieven eender zijn, al vraag ik me af hoeveel verschillende motieven er zijn voor mannen om naar een oorlog te gaan, of dat nu met een pen of een geweer is. Uw verhalen over de reizen die u maakte in de voetsporen van mijn vriend, of waarin u hem voorging, hebben mijn begrip voor hem versterkt. Niets ten nadele van zijn eigen tekst en uitleg, maar omdat u geen enkele reden had mij gerust te stellen was uw perspectief een welkome aanvulling.
Zoals dat gaat met het begin van een hechte vriendschap vond ik u vroeger stierlijk vervelend. Ik heb u langzaam leren waarderen, met De asielzoeker was onze vriendschap eenzijdig bezegeld. Door u al die jaren te lezen, heb ik u leren kennen als een vriend. Het is, zoals gezegd, een eenzijdige vriendschap, en een fictieve, want de persoon die ik denk dat u bent bestaat niet. U zoals ik u ken bestaat alleen in mijn hoofd. Dat geldt voor de meeste relaties, maar vooral voor eenzijdige relaties als de onze. Om andere mensen over u te horen praten in de documentaire Arnon Grunberg: heb je nog steeds vrienden? over uw verjaardagsfeestje in Salta, zou een openbaring voor me kunnen zijn geweest, wanneer er een eenduidig beeld boven was komen drijven. Vanzelfsprekend gebeurde dat niet. Een mens is geen eenduidige entiteit, geen logisch verhaal. Toch denk ik dat iemand wel degelijk een kern heeft. En dat die kern voor een persoon zelf vaak verborgen blijft.
U schreef ooit dat een schrijver zelf zijn beste onderzoeksmateriaal is. Voorwaarde daarvoor is dat hij voldoende afstand heeft. Want: ‘Eigenliefde frustreert het onderzoek.’ U gedraagt zich bij mijn weten meestal correct tegenover uw medemens, en ik neem aan dat u mensen nooit direct om hun mening over u hebt gevraagd hebt – dat heeft een filmmaker nu voor u gedaan. Ik neem daarom aan dat dat zelfonderzoek zich voor een groot deel in uw fantasie heeft afgespeeld, en dat u dus weet hoe verraderlijk de wegen der verbeelding kunnen zijn. In de documentaire zegt u dat de werkelijkheid de fantasie moet corrigeren. Hiermee gaf u me de oplossing.
Door deze brief te schrijven zet ik onze verbeelde relatie op het spel. Ik wil u namelijk vragen een keer af te spreken, wanneer u weer eens in Nederland bent, of ik weer eens in New York. Ik zal een paar weken wachten op uw antwoord. Dat zal zeer waarschijnlijk niet komen, hooguit een fraai geformuleerde afwijzing. Mijn fantasie zal in die weken overuren maken, om uiteindelijk piepend en krakend tot stilstand te komen. Volgens Freud beschermen mensen hun neuroses zoals een leeuwin haar welp. Door niets te doen helpt u me mijn welp ombrengen. En anders ligt er misschien een mooie vriendschap voor ons in het verschiet.
Hoogachtend,
Marte Kaan
Gearchiveerd onder: nrc.next
‘Most people in finance are moulded by the system. They morph. I morph.’
Aan het woord is een jonge vrouw die werkzaam is op de HR-afdeling van een grote bank in Londen. Ze is een van de mensen die Joris Luyendijk interviewt voor zijn blog Voices of Finance op de site van de Britse krant The Guardian. Luyendijk wil de vermeende boosdoeners van de crisis de kans geven hun verhaal te doen, om het grote boze bankwezen een menselijk gezicht te geven. Hij opende zijn interviewverzoeken aan de mensen uit de financiële sector met: ‘Everybody hates you. Do you hate yourself?’
Het is een essentiële vraag in het menselijke verkeer: waarom vindt niemand zichzelf de bad guy? De vraag is niet alleen interessant in de financiële sector of bij slepende conflicten tussen staten, ook op microniveau, in liefde, werk, vriendschap, vinden mensen dat de ander zich beestachtig gedraagt, terwijl hij of zij zelf de verschrikkelijkste dingen doet – de gemiddelde echtscheiding in een notendop.
En zo is het ook de vraag of de wetenschappers die de afgelopen weken zijn ontmaskerd zichzelf uiteindelijk als de slechterik zullen zien – ook al hebben ze alle schijn tegen. Een inmiddels veelbesproken sjoemelprof is sociaal psycholoog Diederik Stapel. Het bewijs van zijn gerommel was zo onweerlegbaar dat hem niets anders te doen stond dan het boetekleed aan te trekken: ‘Ik heb gefaald als wetenschapper, als onderzoeker. Ik heb onderzoeksgegevens aangepast en onderzoeken gefingeerd.’ Zo schreef hij in een brief aan de Volkskrant.
In zijn kielzog volgde Don Poldermans, hoogleraar perioperatieve cardiovasculaire zorg en internist, die zich niet aan de onderzoeksprotocollen zou hebben gehouden, en onderzoekgegevens zou hebben gefingeerd. Hoe kan het dat mensen met een meestal meer dan gemiddelde intelligentie die een eervolle positie bekleden in dit soort ronduit onethisch gedrag vervallen?
In Waarom goede mensen soms de verkeerde dingen doen beschrijft Muel Kaptein, hoogleraar bedrijfsethiek en integriteitsmanagement, talloze experimenten waaruit blijkt dat integriteit een rekbaar begrip is. In een onderzoek werden twee groepen in een situatie gebracht waarbij ze konden spieken tijdens een wiskunde-examen. Voor het examen kreeg de eerste groep een artikel te lezen waarin werd betoogt dat de vrije wil niet bestaat, de tweede groep niet. En jawel: de eerste groep spiekte 45 procent meer dan de tweede groep. Naast de verwachtingen die anderen van ons hebben, is ons zelfbeeld een belangrijke sturende factor. Hoe meer we onszelf zien als heteronoom – een product van de omstandigheden – hoe eerder we bezwijken voor verleidingen. Ethisch gedrag begint met een zelfbeeld van autonomie, schrijft Kaptein.
In Er zijn fouten gemaakt (maar niet door mij) van de Amerikaanse psychologen Carol Tavris en Elliot Aronson wordt ontleedt hoe mensen in amoreel gedrag vervallen. De motor achter menselijk geblunder is zelfrechtvaardiging, het proces waarbij je je handelen en denkbeelden met elkaar in overeenstemming brengt. Dit doe je om cognitieve dissonantie op te heffen: de spanning die ontstaat wanneer je cognities (ideeën, opvattingen: ‘roken is slecht’) aanhangt die niet te verenigen zijn met je gedrag (‘ik rook’).
Een voorbeeld, dat voor het gemak weer over spieken gaat – dat lijkt een klein vergrijp, maar zoals in de rest van dit betoog zal blijken is dat juist de essentie van onethisch gedrag. Twee jongens, beiden met hetzelfde idee over spieken: mag niet, maar er zijn ergere dingen. Belangrijk tentamen, er staat veel op het spel. Een lastige vraag, spiekmoment dient zich aan. De een doet het wel, de ander niet. Vraag ze een week later nog eens naar hun ideeën over spieken. De spieker relativeert zijn gedrag: ‘iedereen doet het wel eens’. De niet-spieker oordeelt opeens veel zwaarder over spieken. Beiden proberen hun gedrag te rechtvaardigen, door hun mening aan te passen aan hun gedrag. Gevolg is dat de niet-spieker de ander volkomen amoreel vindt, en de spieker de ander een moraalridder. Kwamen hun meningen eerst nog overeen, ze zaten samen op het puntje van de keuzepiramide, na een week liggen hun ideeën mijlenver uiteen en staan beiden aan een andere voet van de piramide.
Aan de hand van uiteenlopende voorbeelden – van Watergate tot het uittrekken van tanden bij een Soedanese stam tot een echtelijke dispuut – laten Tavrison en Aronson zien hoe mensen hun feilbaarheid tegen elke prijs proberen te verdonkermanen. We overschatten onze kwaliteiten en onze bijdrage in een samenwerking, ons geheugen vertekent het verleden nagenoeg altijd in ons voordeel: we hebben minder seksuele partners gehad dan in werkelijkheid, gebruikten vaker een condoom dan het geval is, stemden vaker dan we daadwerkelijk deden en ook nog eens voor de winnaar terwijl we eigenlijk op de verliezer stemden. Waarom? Om ons zelfbeeld en gevoel van eigenwaarde intact te houden.
Forensisch psychiater Hjalmar van Marle, van stal gehaald om het geval Stapel te becommentariëren, heeft het over ‘de weg der geleidelijkheid’. Dat sluit aan bij de piramidemetafoor: het bedrog begint klein, en wordt groter door het geniepige proces van zelfrechtvaardiging.
Hoogleraar Poldermans liet na om patiënten toestemming te vragen voor het afnemen van bloed en het maken van een hartecho – een zeer ernstige fout. Toch is voorstelbaar dat hij dit een relatief onschuldig vergrijp vond in het licht van zijn onderzoek, het onderzoeken van complicaties rondom vaatoperaties – door iemand uit zijn omgeving zijn levenswerk genoemd. De patiënten ondervonden geen directe schade aan zijn nalatigheid, en met zijn onderzoek zou hij wellicht mensenlevens redden. Zo zakte hij al wat op de keuzepiramide, een stapje dichterbij het aanpassen van data, wat een nog grovere fout is. En ook daarbij zal het waarschijnlijk zo zijn geweest dat hij dit deed omdat hij dacht dat hij hiermee het juiste deed: meer geld voor nieuw onderzoek wat de zorg voor patiënten uiteindelijk ten goede zou komen.
Ook uit de verklaring van Stapel blijkt dat hij vond te handelen in het belang van het collectief. Hij schreef: ‘Ik heb de fout gemaakt dat ik de waarheid naar mijn hand heb willen zetten en de wereld net iets mooier wilde maken dan hij is.’ Zelfrechtvaardiging: ‘Ik sjoemel met mijn data, maar dat doe ik omdat ik de wereld mooier wil maken.’ Et voila: zo is een krachtige en nobele overtuiging geboren.
Langzaam ontstaat zo het verhaal van de wetenschapper die de wereld wil verfraaien, mensen beter wil maken, het goede nastreeft. Daarbij vindt hij zeer waarschijnlijk, in zijn ogen, nodeloze obstakels op zijn weg zoals het schrijven van ellenlange onderzoeksvoorstellen waarmee hij moet bedelen om geld. Zo bezien is het geen wonder dat hij zo nu en dan zijn toevlucht neemt tot oneigenlijk middelen.
Net als in het verhaal van de jonge vrouw die werd geïnterviewd door Luyendijk (‘I morph’), legt Stapel de nadruk op het systeem waarbinnen hij functioneerde – ook al noemt hij zijn eigen aandeel wel. Los van de vraag of dit waar is, is het een teken aan de wand. Ethiek begint met een autonoom zelfbeeld. Het eindigt dus bij een zelfbeeld waarbij iemand zichzelf presenteert als een speelbal van de situatie. Dat wil niet zeggen dat ze liegen: mensen zullen daadwerkelijk denken dat ze gedreven werden door externe factoren om hun zelfbeeld van een eerlijk en integer persoon niet te beschadigen. Alles beter dan te erkennen dat er ijdelheid of hebzucht in het spel was – terwijl dat toch zeer menselijke eigenschappen zijn.
Het niet willen erkennen van de eigen feilbaarheid zorgt ervoor dat mensen verklaringen buiten zichzelf gaan zoeken, erin gaan geloven zodat die verklaringen steeds aannemelijker worden en een eigen leven gaan leiden. Toegegeven: het klinkt wat omslachtig en het vergt dan ook enig denkwerk en de nodige creativiteit, maar dat zijn nu juist precies die eigenschappen die van iemand een goede wetenschapper maken.
Gearchiveerd onder: Vrij Nederland
Schrijven over seks is moeilijk. In Sterrenogen doet de Belgische Eef Lanoye een poging. Gebrek aan vindingrijkheid kun je Lanoye niet verwijten: een flink deel van het spectrum aan seksuele mogelijkheden wordt verkend, van sadomasochisme en aanranding tot seks met dieren en vreemden op fetisjfeesten. Hier en daar wordt een psychologisch motief gesuggereerd, maar in de meeste verhalen lijken de personages hoofdzakelijk te worden gedreven door pure lust. Niks mis mee, ware het niet dat werkelijk alles beschreven wordt. ‘Porno is per definitie saai’, zegt Lanoye zelf. Zij wil wel directheid, maar dan in ‘mooie taal’. Mooie taal heeft soms meer te maken met de woorden die je niet, dan die je wel gebruikt. En daar slaat Lanoye de plank mis.
Eef Lanoye, Sterrenogen, De Arbeiderspers, E 16,50
Gearchiveerd onder: Overig
Rutte – 22 september 2011
Hij heeft het goed gedaan. Met een paar ferme rukken maakt hij zijn stropdas los. Op het aanrecht staat een pastaschotel, ernaast een briefje. ‘Twintig minuten, honderdtachtig graden. Elma.’ Verder niks. Weer niet. Twee dagen terug stond er een X. Minutenlang had hij het briefje bestudeerd, tot het kusje voor zijn ogen danste. De dag daarna niks. ‘Vijfendertig minuten, tweehonderd graden. Elma.’ Hij donderde de visschotel in de prullenbak en bestelde een pizza. En toen vandaag. Zonder na te denken legt hij zijn stropdas in de koelkast, naast een plak wit uitgeslagen chocolade.
Gearchiveerd onder: Vrij Nederland
Wil een vrouw dood. De overeenkomsten met Kluuns bestseller dringen zich (te) sterk op. Hippe grootstadjongen in een snelle wereld (televisie) worstelt met liefde en dood. Geen terminale kanker dit keer, maar een depressie met een sterke doodswens. De hoofdpersoon, dertiger Hylke, houdt tegen de klippen op van zijn door hevige stemmingswisselingen getergde liefje Vita, en ontlaadt de spanning door hard te werken en uit te gaan. De apotheose is tragisch maar voorspelbaar. De stijl is het best te vergelijken met een vlotte kroegbabbel: onderhoudend, bij vlagen geestig, sympathiek. Daarom vergeef je verteller veel en weet zijn lot, of eerder dat van de beklagenswaardige Vita, je te raken. Maar dat heeft meer te maken met de aard van de problematiek dan met de literaire kwaliteit.
VITA. Matthijs Kleyn. Uitgeverij Prometheus. E 16,95
Gearchiveerd onder: nrc.next
FUCK staat in vette kapitalen op de buik van Theo Wesselo getatoeëerd. Het is zijn nieuwste gedicht, getiteld Shit. „Een gedicht voor doven en slechtzienden. Gesubsidieerd”, zegt Wesselo, kunstenaar, ex-Rembo en zanger van de ‘Hollandstalige Shit-Band’ Hausmagger, terwijl hij zijn blouse weer dicht knoopt. We zitten op de woonboot van een goede vriend, hartje Amsterdam.
Verwacht van Theo – „ik heet eigenlijk Peter” – geen wijsheden of algemene uitspraken. „Ik heb alleen een bepaald gevoel over iets. Als ik wat over mezelf zeg is het meteen zo concreet. Plaats ik mezelf in een hokje. Ik verras liever.”
Door zo’n royale tatoeage te laten zetten bijvoorbeeld. „Nu ik geen excessen meer heb met drank en drugs moet ik ergens anders mijn kick uithalen. Zelfs de gasten van de tatoe-shop vonden dat het niet kon, ik wist zelf ook dat het niet kon. Maar juist daarom.”
Begin van dit jaar zat Wesselo drie weken in een afkickkliniek in Schotland – „Castle Crack in Shotland.” Sindsdien is hij clean, zes maanden nu. „Ik wil altijd de beste zijn. Dus ook met het naar de klote gaan. Totdat dat saai en vervelend begon te worden. Nu wil ik de beste worden in het stoppen.”
Wat levert dat extreme gedrag u op?
„Creatief gezien heeft het me veel opgeleverd, ik heb bijvoorbeeld nooit tv-programma’s gemaakt waar ik spijt van heb. Ik ben met ruzie weggegaan bij de VPRO, maar ook daar heb ik geen spijt van omdat ik trouw ben gebleven aan mijn eigen smaak.”
Heeft het gebruik u ook wat opgeleverd?
„Kan ik niet zeggen. Sommige gasten die gestopt zijn zeggen dat het ze helemaal geen ene flikker heeft gebracht. Dat geldt niet voor mij. Elke seconde, of je nou dronken bent of stoned, draagt bij aan je leven. Op zichzelf vind ik drank en drugs ook niet negatief, ze verbreden je persoonlijkheid. Maar nu wil ik alles ook wel weer eens clean zien, ben 47, op de helft van mijn leven. En mijn kinderen zeiden er niks van, maar die roken het natuurlijk wel als ze bij mij waren. Dat is niet oké.”
Hoe gaat het nu zonder?
„Zo goed dat ik het nog steeds niet doe. Ik haal veel kracht uit de strijd om eraf te blijven. Net als met roken: ik rookte drie pakjes per dag. Ben ik in van de ene op de andere dag mee gestopt, met de belofte dat ik mijn pink eraf zou hakken als ik weer een sigaret aan zou raken. Zou ik ook echt hebben gedaan.”
Hoe komt u aan inspiratie voor uw teksten?
„Het nummer Dank je wel bedacht ik omdat ik het leuk vond om een liedje te maken waarmee je ‘Dank je wel’ kunt zeggen. Gozer ontstond uit een gedicht – een gesprek tussen mij en god, waarin ik schrijf dat ik denk dat hij een mietje is, en dat ‘ie maar beter niet naar beneden kan komen omdat ik hem anders de tering zal slaan. Als je klein bent dan heb je een bepaald beeld over hoe je zou willen worden. Ik keek vroeger naar die serie Mission Impossible, daar zaten van die mannen in met van die rechte neuzen en van die strakke kaaklijnen, die heel stoer om een hoekje keken. Dan droog je zelf op en zie je dat niemand zo kan zijn.”
Dus de tekst gaat over opgroeien, de behoefte aan een ideaalbeeld als kind?
„En ook weer nergens over. Als ik het opschrijf, geloof ik het al niet meer. Ik zeg wel eens dat ik de teksten heb geschreven toen ik negen was. En dat is eigenlijk ook zo, sommige flarden komen nog van toen ik heel jong was. Uit oude schetsboeken, vol met onzin haal ik soms een mooi stukkie tekst. Daar bouw ik dan iets omheen.”
En als de inspiratie weg is…
„Dan gebeurt er niets. Vroeger haalde ik mijn energie uit drank of pep, dus dat is nu even moeilijk. Maar ik heb zo veel ideeën dat ik nog wel drie levens voort kan. Soms blader ik door mijn oude opschrijfboekjes, en dan weet ik het weer. Het gaat gewoon door. Over tien jaar lees ik weer wat ik nu heb opgeschreven.”
Kunt u iets voorlezen uit die oude opschrijfboekjes?
„Hier, uit 2009. ‘Dingen voor in de groep: ik vind dat je minder belasting hoeft te betalen wanneer je in een arme kutbuurt woont dan wanneer je in een rijke kutbuurt woont.’ Vind ik echt. Of: ‘Met het oog op de ondergang van de wereld zou ik mijn zakgeld als kind in een keer aan mijn ouders vragen.’”
Wesselo schuift onrustig heen en weer. „Het is allemaal zo serieus wat ik zeg. Dat gaat vanzelf. Terwijl eigenlijk…”
… Wilt u overal de spot mee drijven.
„Kijk, die nummers en de gedichten moeten gewoon goed zijn. Voor de rest geldt dat het allerslechtste wat je kunt doen is jezelf serieus nemen. Daar kan ik me het meest aan ergeren bij anderen, en het hardst om lachen. De beste humor ontstaat ook wanneer iemand zichzelf straal voor lul durft te zetten. Hoe dieper je gaat, hoe beter de humor.”
Moet alles wat u doet grappig zijn?
„Op het toneel wel ja. Met een diep gevoel hoef je niet aan te komen. Waarom zou je? Ik heb het wel eens geprobeerd, een dieper gedicht voordragen. Dat werkt niet omdat het voor verwarring zorgt. Mensen verwachten wat anders. Nog een voorbeeld: toen ik laatst een meisje vroeg of ze met me wilde trouwen, antwoordde ze niet eens. (…) Eigenlijk niet zo’n goed voorbeeld. Wat ik bedoel is dat altijd als ik iets serieus zeg, er een streepje stilte valt. Mensen weten niet of het nou meen. Alles wat ik zeg is misschien wel met een knipoog. Maar ik lieg nooit.”
Vinden mensen ook raar waarschijnlijk.
„Ze zeggen dat Rotterdammers recht voor hun raap zijn, maar ik vind dat het altijd nog iets rechter kan. En dan wordt het pijnlijk. Ik kan me vaak niet inhouden, ook al zorgt het voor problemen.”
Dan is humor misschien wel uw redding.
„Ik kan zeggen wat ik wil, met humor, zonder dat andere mensen weten wat ik eigenlijk gezegd heb. Want ik heb niet zo’n hoge pet op van de meeste mensen, juist omdat ze zichzelf zo serieus nemen.”
Wat is uw hoogst bereikbare doel?
„Er zijn dingen die ik nog niet gedaan heb en die ik nog wil doen. Maar het is niet zo dat het mijn natte droom is om bijvoorbeeld op nummer één van de hitparade te staan. Dat zou veranderen in een frustratie. Ik weet dat ik dingen heb gemaakt die goed zijn, maar die niet als zodanig worden herkend. Ze weten niet beter, denk ik dan. Bovendien: het moment dat mensen jou goed vinden, is het de standaard geworden. Zodra Hausmagger gemeengoed is geworden, ben ik vertrokken.”
Is optreden nu nog leuk?
„Ik voel een enorm geluk wanneer het bijna afgelopen is. Het moet allemaal goed gaan, ik ben heel kritisch. Heel belangrijk bijvoorbeeld dat ik de goede broek aan heb. Een soort faalangst is het. Maar dan wel positieve hè.”
Kleeft het Rembo-imago nog aan u?
„Denk het niet, er zit inmiddels wel genoeg tijd tussen. Maar beter ook. De schilderijen van Jeroen Krabbé werden gewaardeerd omdat ze van Jeroen Krabbé waren. Mijn schilderijen moeten gewoon goed zijn. Het helpt dat mijn werk niet esthetisch is, je zegt niet: hee, dat is mooi! Je moet goed kijken om te beoordelen of het goed is.”
Hoe zou u herinnerd willen worden?
„Dat weet ik niet hoor. Dat is zo’n vraag, alles wat je daarop antwoordt is belachelijk… Als een veelzijdige klootzak. Schrijf dat maar op.”
Gearchiveerd onder: Denken
You’re only given a little spark of madness. You musn’t lose it.
Robin P. Williams